Of een plant ergens groeit is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals voeding/vocht/licht/ temperatuur (en dat op het goede moment), maar ook van factoren als ziektes, plagen, schade door storm, hagel etc. Voor elke factor is er een bandbreedte waarbinnen de soort kan overleven. De factoren beïnvloeden elkaar soms ook: als het erg heet is (veel vochtverlies) kan dat gecompenseerd worden door voldoende vocht in de bodem of veel schaduw. Een plant die normaal van veel zon houdt, kan het ook goed doen in wat schaduw, wanneer daar andere factoren als voeding, vocht, weinig concurrentie erg goed zijn. Anderzijds kan een plant die op zijn schijnbaar gebruikelijke standplaats wordt geplant het niet redden (door ter plekke schadelijk bodemleven, een tekort aan een essentieel mineraal, teveel concurrentie, een woelmuis etc.). De natuur is nauwelijks in hokjes te drukken en dat geldt ook voor het benoemen van DE standplaats voor planten,
De natuur en het weer is een (zeer) dynamisch gebeuren en welke soorten floreren wisselt in de loop der jaren en vaak ook per jaar. Tuinieren is daarmee ook een dynamisch proces, waarbij je of moet accepteren dat de tuin zich ontwikkelt en bepaalde soorten voor korte of langere tijd gaan domineren en anderen juist verdwijnen of je moet ingrijpen om de dominante soorten een halt toe te roepen en/of te voorkomen dat je geen licht meer in huis hebt door schaduw van de bomen in je tuin.
Indien de grondsoort, vochtgehalte, schaduw in je tuin gelijk is aan die van de omgeving, kan je de planten uit je omgeving in je tuin introduceren. Ze komen echter ook “vanzelf” (via zaden en/of wortelstokken). Indien het inheemse planten zijn doe je de insecten en daarmee ook de insecteneters misschien wel de grootste dienst. Als je weet welke bijzondere soorten passen in het milieutype van jouw tuin, kan je ook deze ook introduceren. Hoe dichter bij de bijzondere soorten groeien, hoe makkelijker gespecialiseerde insecten een kans hebben je tuin te vinden en hun favoriete plant.
Bij de introductie van een plant is deze vooral in de eerste fase kwetsbaar. Het aanpassen van de plant aan de nieuwe plek, vergt energie en deze energie is dan niet beschikbaar om bv slakken, schimmels van zich af te houden met giftige stoffen. Een goed moment is de herfst als de grond vaak vochtig en warm is. Nieuwe aanplant is ook gevoeliger voor droogte. Voor water geven zie de tuintip Wanneer planten water geven?
Kieshulp kan je vinden op:
- Plantenzoeker VELT (geeft zowel inheemse als niet inheemse suggesties. Bij de soortbeschrijving staat hierover informatie)
- Aanbod kwekerij Cruydthoeck
- Kwekerij Ninabel
Mijn favorieten (niet uitputtend):
Plantvak/border* : Slangenkruid, Tijm, Gewone salie, Marjolein, Klaproos, Bolderik, Prachtklokje, Bosanemoon, Boerencrocus, Pinksterbloem, Zwarte toorts, Stalkaars, Beemdooievaarsbek, Wilde cichorei, Slanke sleutelbloem, Beemdkroon, Avondkoekoeksbloem, Koninginnekruid, Scherpe boterbloem, Hondsdraf, Gewone smeerwortel, Gewone berenklauw, Fluitekruid, Gewone ereprijs, Lange ereprijs, Brede ereprijs, Rechte ganzerik, Venkel, Kattenstaart, Hemelsleutel, Heemst, Stinkende gouwe, Muskuskaasjeskruid, Beemdooievaarsbek, Maarts viooltje, Bosviooltje, Hartgespan, Vingerhelmbloem, Akelei, , Duifkruid, Knopig helmkruid, Dagkoekoeksbloem, Bochtig havikskruid, Longkruid, Moederkruid, Wrangwortel, Stinkend Nieskruid, Lieve vrouwe bedstro, Gewone salomonszegel etc. etc.
* Globaal gerangschikt van zonnige plek tot schaduw
Bomen: (lei) appel/perenboom, lijsterbes, berk, knotwilg, knotes,
Struiken: zwarte/rode/witte/kruisbessen, (Eenstijlige / Tweestijlige-) meidoorn, gewone vlier, gewone brem, struikklimop, wilde kardinaalsmuts, wilde liguster, hazelaar
Klimplanten: inheemse kamperfoelie (L. periclymenum), druiven, clematis (kleinbloemige, “ongevulde” bloem)
Schutting: Tayberry (kruising braam-framboos),
Afscheiding: heg van (een combinatie van) meidoorn, veldesdoorn, taxus, liguster, iep, hondsroos
In gazon: pinksterbloem, bijenkorfje, madeliefje, draadereprijs, boerencrocus, bosanemoon, witte klaver,
Op daken: tussen het grind of min of meer los: wit vetkruid, hemelsleutel
Bodembedekkers: kleine maagdenpalm, gevlekte dovenetel, kruipend zenegroen, heide. En wie voor robuust en weinig onderhoud -maar wel groen- gaat: de niet inheemse kruipende smeerwortel, geranium endressi, rots geranium
Wadi: kattenstaart, moerasspirea, grote wederik, engelwortel, poelruit, kievitsbloem, guldenboterbloem, slanke sleutelbloem, grote pimpernel, koninginnekruid, blauwe bes, moeraswolfsmelk, blauwe knoop.
–