gedichten

1 bericht

Gedichten

Mien grond

Zoals ik hier rondstappe
Vertwiefeld

Half bloot
Over mien laand
Waor mien veurolders
Ploeterden, zwieten
Heidevelden ontgönnen
Haver en gerst zejden

Zo geve wij de grond
Terugge an de natuur
Een stappie achteruut
Um veuruut te gaon

‘k heure ’t gejoel van
Mien opoe’s stemme
In de wiend
In de taol die nog altied
Mien gedachten vormt
Woord veur woord

Mij verbiendt mit dizze streek
Mit de geur van vrogger
Ontstaon uut ‘zaod
Van olde grond

Ik leg mij mit oe neer
In ’t lange grös
Bloot, um oens te laoten
Versmulten mit ’t zwiet en
De traonen
Van de warme eerde

door: Ria Westerhuis

_____
Madeliefje

Madeliefje klein teder bloemetje in prille voorjaarstijd,
decoratief in het frisse jonge grastapijt,
Bloemetje zo onopvallend en toch heel elegant,
geel hoedje, wit rokje en roze langs de rand.

door: Carla Reezigt

_____

Natuur is leuk maar je moet er wel wat te drinken bij hebben / Willem Kloos

De stilte der natuur heeft veel geluiden / H. Roland Holst

Wij verkeren zo graag in de natuur, omdat deze geen mening over ons heeft
/ Nietzsche

_____
Een tuin is meer dan er staat

een tuin is meer dan er staat
de groei van vroeger
groei die komen gaat
wandelen in een tuin
is dwalen in een ruim geheugen
alles heeft herkomst
verre plekken die herinnerd blijven
banden met vrienden
sommige dood maar hier onsterfelijk
jaarringen
de tuin ben jij

Dick Hillenius
_____
De tuin

Ik heb een tuin, maar ook weer niet.
Natuurlijk hoort hij bij het huis,
met geld gekocht, en wat je ziet:
het gras, de bloemen in het perk,
zijn inclusief wat rot en luis
de vruchten van ons eigen werk,
maar toch, zo’n tuin met berenklauw
is van de mensen, -niet van jou!

Je loopt erin, je zit erin,
je doet wat nuttigs met een schop,
je werkt erin met tegenzin,
dat voel je ’s avonds in je rug,
maar staan de bloemen weer in knop
dan wil je in je tuin terug,
al weet je: hij is niet van mij,
maar van de hele maatschappij!
Een tuin is altijd maar geleend.
Een huis staat vast, een tuin beweegt.
Een huis staat eeuwenlang versteend
zichzelf te zijn, verandert niet,
een tuin wordt beurtelings geleegd
en volgegooid met coloriet,
hij is een lapje geketend gras
dat ooit een deel der wereld was!

Nico Scheepmaker
_____
Aan een boom in het Vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
Terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heet weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
Met slepend haar en met de geur van jeugd
Stromende uit zijn schone wonden,
Het jonge hoofd nog ongeschonden,
De trotse romp nog onverslagen.

M. Vasalis
_____
De laatste dagen van de zomer

Trager de wespen, schaarser de dazen
groenvliegen grijzer, engelen gene, niets
dat hier hemelt, alles brandt lager

dit zijn de laatste dagen, men schrijft
de laatste stilstand van de zomer, de laatste
vlammen van het jaar, van de jaren

wat er geweest is is er steeds nog even
en wat men helder ziet heeft zwarte randen

men moet zich hier uitschrijven, de tuin
in de tuin insluiten, het geopende boek
het einde besparen, men moet zich verzwijgen

verzwijg hoe de taal langs de lippen invalt
hoe de grond het gedicht overstelpt, geen mond
zal spreken wat hier overwintert-

Gerrit Kouwenaar
_____

Sneeuw

Het wit.
Onhoorbaar is
het wit. Slechts
wat getrippel
van vogelpoten
heel omzichtig
in de bange
stilte van het
wit.

Onhoorbaar ligt
het wit in de
leeggeblazen ochtend.
Ik schrijf er
geen voetstappen
in.

Roland Jooris, uit Bladstil,  1977
_____
Landschap

in de weiden grazen
de vreedzame dieren;
de reigers zeilen
over blinkende meren,
de roerdompen staan
bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden
galopperen de paarden
met golvende staarten
over golvend gras

Marsman

_____

Mijn God, het gras is zo jong!
Mijn hoeven zitten vol luchtsprongen.
Ik ren en mijn manen haken zich vast aan de wind.
Ik ren en geuren slaan te pletter tegen mijn hart.
Ik ren struikelend over mijn geluk
en ik ben de gevangene van mijn al te wijd gesperde ogen,
van mijn ogen die te levendig zijn
om de onrust te kunnen vatten
die over de wereld ligt uitgespreid…

Uit: Gebeden in de ark.

_____
Waar ik naar verlang vandaag

Waar ik naar verlang vandaag
Een frisse zomerjurk te dragen
met blote schouders, een uitgesneden
hals en rug en vooral goed
los om de heupen

Waarmee ik dan de tuin in loop
De zon schijnt warm, maar de win d
houdt het dragelijk en brengt
de jurk in beweging en dan

Ben jij er natuurlijk ook die
de jurk al even mooi vindt en samen
trekken we hem uit en hangen hem
aan een tak

En liggen te kijken in het gras naar
zo’n frisse zomerjurk in een boom,
Daar verlang ik het meest naar vandaag.

Jo Gevaerts, 1994 , Tijdschrift Oase

_____
Op een eendagsvlieg

‘Ach,’ sprak een eendagsvlieg te Doorn
‘Hoe heerlijk is het ochtendgloren
en hoe verrukkelijk het uur
waarop het laaiend zonnevuur
verstild ter kimme wordt gedreven!
Men moest twee dagen kunnen leven’

Kees Stip

_____
Licht

We wilden licht meer licht
We kapten de boom die in zijn eigen reiken
Ons verlangen in de weg stond
De boom kreunde kermde kraakte
Zijn laatste vezel scheurde
En met een razend suizen van zijn blaadjes
Sleurde hij zijn leven neer
De wind die hem bespeelde
Week geschrokken uit
Eindelijk hadden we licht in de kamer
In dat licht keken we elkaar aan
En zagen klaar
Ons onherstelbaar gezicht

Remco Campert
_____
Reconstructie

Een vroege zomeravond, maar nog uren dag,
in de tuin bij vrienden, witte stoelen op het gras.
Bloemen langs de schutting-stond de serredeur open?
Bomen in de tuin daarnaast en zeker zongen vogels.

Te warm voor thee, wij dronken koele glazen.
Een samenzijn van stiltes en wat praten.
Twee grijze hoofden naar elkaar gebogen,
Ik hoor beminde stemmen nog, niet wat werd besproken.

Later met ons vieren aan de haven,
boten bij zonsondergang, lichten over het water.
Maar niets zo dat zijn glans behield, zeepbel in de tijd,
als het zitten samen in die tuin, een schijn van eeuwigheid.

Georgine Sanders
_____
Kamperfoelie
Ik had niet vaak meer aan dat huis gedacht.
Noch aan die tuin. Dit alles is verleden.
Eindlijk raakt ieder leed ontgleden
Al is het hart ook bijna omgebracht.
Vanwaar dan dat, terwijl ’t ontembaar har
Al lang naar andre, verdre dingen haakte,
Ik mij weer in ’t voormalige wist verward,
Omdat ik aan die geur dacht, zwoel en lauw,
Die van de kamperfoelie zich losmaakte
Bij het stijgen van de zomeravonddauw.

J.C. Bloem
_____
De tuin

Een morgen ben ik zeer vroeg opgestaan
En zie de bloemen, halmen, grassen staan
In een zo helder eigenaardig licht
Of zij daar nog niet lang alleen zo staan
Maar iemand juist van hen was heengegaan,
Zo, als men in gezelschap binnentreedt
In stilte, en weet dat er gesproken is
Maar niemand u wil vertellen wat het was.
Het is alsof er een engel op dit gras
Getreden is en juist verdwenen is
Zodat nog alles luistert naar zijn tred
En halmen, grassen staan nog in gebed.

J.W.F. Werumeus Buning

_____
Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland

_____
Na de zomer

I

De kreukels van het loof,
Vermoeid gesteente
Met flinterdunne nerven
Dat zijn bladeren ontvouwt
En neer laat dalen
Tot geel geschuifel.
Het lila van de herfst
Op bleke stelen
Zakt rottend weg
In drassigheid.
Het besef: Wij waren
Er even bij-
Een voetstap
Die geen echo achterlaat.

II

De onverschrokkenheid
Van zonlicht op de stammen,
Luchtige helderheid
Tussen de kruinen.
De dode damp stijgt op
Als lispelen.
De eenvoud van de
Directe waarneming.
We sluiten de deur,
En verdwijnen geruisloos.
Wat is sterven toch mooi
Als het grind zijn tol betaalt-
De bevrijdende schreeuw
Blijft onhoorbaar.

III

Grijs als as
Kraakt het
Van ongeweten bloei.
Diep in het zand
De koudbloedige winterslaap.
Het neonblauw verfletst
Tot kleurloosheid,
Het roestige takkenweefsel
Van uitgegloeid ijzerdraad
Wacht de winter.
Het buigen naar iets
Dat nog leeft misschien-
De vliesdunne rand
Van het vergeten.

Jan Wolkers (I-III)